Diversen

Meta's Tuintobberijen (11)

Onkruid bestaat niet

Op de oud-Hollandse jaarkalender staat april aangeduid als Grasmaand. Zelf zou ik deze maand liever willen omdopen tot Onkruidmaand. Overal waar je kijkt – en helaas ook overal waar je even niét kijkt – groeit en bloeit het weer: onkruid. Je wordt er soms wanhopig van. Zo niet mijn overbuurman. Die maakt zich niet zo snel druk. Niet in zijn dagelijks leven, dus ook niet in zijn tuintje. ‘Onkruid bestaat niet’, dat is zijn lijfspreuk en daar handelt hij dan ook naar. Of hij handelde eerst (niet) en kwam gaandeweg tot deze lijfspreuk, dat kan ook.

Zijn voortuin is opvallend aanwezig in het rijtje keurig aangeharkte perkjes van de andere straatbewoners. Je ziet er strakke buxushagen die een veldje rozen of lavendel omzomen. Of een verzameling groenblijvende heesters die moet zorgen dat voorbijgangers geen zicht krijgen op taferelen die zich binnenshuis afspelen. Vaak is er niet eens sprake van perkjes. Dan is de voortuin volledig geplaveid met sierbestrating. Handig om het parkeerprobleem op te lossen, want zoals de meeste gemeenten kan ook ons dorp de toenemende parkeerdruk nauwelijks het hoofd bieden. ’s Avonds staan de tweede en derde auto’s per gezin pal voor de woonkamerramen geparkeerd. Nadat dit wagenpark zich ’s morgens vroeg tot file heeft getransformeerd, blijven de privé-parkeerterreintjes kaal, triest en wat vlekkerig achter.

Nu valt volgens een oud spreekwoord over smaak niet te
twisten, hoewel hele volksstammen er veel genoegen in
scheppen dat juist wel te doen… Maar, wat je ook van het
tuintje van mijn overbuurman kunt zeggen, kaal en triest
is het zeker niet. Het is boeiend om te zien wat er gebeurt
in een tuin wanneer er geen onderhoud meer wordt
gepleegd. Als gewetensvolle tuinier verwacht je dat er op
den duur slechts brandnetels en braamstruiken overblijven.
De tuin van mijn buurman laat zien dat het ook anders kan
gaan. In het vroege voorjaar komt er eerst een tapijt van
sneeuwklokjes tevoorschijn. Later neemt het speenkruid het over. Ook dit gele tapijtje verdwijnt weer en dan ontstaat er een ratjetoe van veldkers, boterbloemen, paardenbloemen en robertskruid. ’s Zomers bloeien er kaardenbollen, distels, toortsen en rode spoorbloemen. Dit alles wordt stevig bijeen gehouden door een weefsel van haagwinde.

Nu is niet zozeer de samenstelling van die plantencollectie opmerkelijk, als wel de vorm die het geheel aanneemt. Tussen al die onberispelijke miniplantsoentjes maakt deze plek de indruk van een… ja, van wát eigenlijk? Voor een oerbos is het te klein en voor een oase oogt het te onrustig. Wat is de beste omschrijving voor deze compacte groenmassa, die van het vroege voorjaar tot het late najaar allerlei vrolijk gekleurde bloemen tevoorschijn tovert? Ik zou het waarachtig niet weten, maar ‘onkruid’ is wel het laatste woord dat bij me opkomt als ik uit mijn raam kijk.

Onkruid? Wat is dat eigenlijk? Van Dale zegt: ‘nutteloos of schadelijk geacht kruid’. Let wel: geacht! Mijn buurman heeft dus gelijk: onkruid bestaat niet voor hem. Wél voor mensen met een auto in de voortuin.

Meta Snijders

Naar boven

meer
24
May
Natuurlijk zaaien: Aquilegia ‘Nora Barlow’
23
May
Bericht uit Singapore